't Venose Skutien VN66

2011*

Beright van 't Venose Skutien 21-06-2011

Afgelopen vrijdag 17 juni heeft de VN 66 ('t Venose Skutien-Vollenhove) de 3e plaats behaald in een botterwedstrijd op het Marsdiep bij Den Helder.
De weersomstandigheden waren goed: een west tot zuidwesten wind kracht 4 met uitlopers naar 5, droog weer.

De bemanning bestaande uit o.a. Jan Verhoef, Martin Gorter en Hans Visser leverde een prima prestatie maar kon de AM 1 en een Texelse blazer niet achter zich houden. Beide voorgangers waren van een groter formaat.
Zaterdag 18 juni heeft de VN 66 de zomerreunie van Botterbehoud (ook in Den Helder) nog bijgewoond, waarna de botter voor een kleine week op de Wadden en het IJsselmeer zal verblijven.
A.s. vrijdag zal de VN 66 vanuit Urk vertrekken voor deelname aan de Oostwalbotterwedstrijden in Kampen en op de Ketel.

De stichting 't Venose Skutien wil graag jonge vrijwilligers aanmonsteren en opleiden voor schipper of opstapper.
Natuurlijk zijn ook meisjes/vrouwen van harte welkom!
U/Jij kunt zich aanmelden bij: hans tukker 0527 241892 / 06 52272066.

Beright van "t Venose Skutien. 27-06-2011

De VN 66 heeft deelgenomen aan de Botterwedstrijd op het Marsdiep tussen Den Helder en Texel en 1 van onze vrijwilligers heeft daarvan een verslag gemaakt zoals hij het beleefd heeft. Graag willen wij u hiervan deelgenoot maken.
De botter is donderdag j.l. aangekomen op Urk en is de vrijdag daarop vertrokken naar Kampen voor deelname aan de Oostwalbotterwedstrijden. Onder wat miezerige weersomstandigheden maar wel met een lekker windje (4Bft) heeft de VN 66 met een leuke bedrijfsgroep heerlijk gezeild en een 11e plek weten te veroveren. Zondag werd de botter door een andere groep gehuurd en naar Vollenhove gevaren.
Tijdens de vlootschouw in Kampen (vrijdagavond j.l.) werd het idee geopperd om een VROUWEN-bemanningsgroep te doen ontstaan: dus meisjes/vrouwen van alle leeftijden: Meld u aan en wordt schipper/opstapper op de VN 66 en ga genieten van het varen/zeilen op de VN 66. ( tel 0527 241892 / 06 52272066)
(gaarne plaatsing in de Nieuwsbode (a.s.) met de bijlage!
bij voorbaat DANK!!!)


Een ludiek verslag van één van de bemanningsleden, Hans Visser


Op avontuur met een brok Venoos eiken.

Het was gewoon op een gezellig feestje onder de rook van Haarlem in het plaatsje waar Hansje Brinker zijn reddende vinger in de dijk stak, waar mij gevraagd werd of ik zin had om met een botter te gaan zeilen op het Wad.
Nu had ik al eens gezeild, dus er kon geen groot verschil zijn met een Valkje op Loosdrecht.

Dinsdagochtend werd ik opgehaald vanuit mijn Goois havendorp en reden we naar het Madurodamstadje Vollenhove.
Toen we daar aankwamen liepen we naar de hoek van de havenkom. Ik zag een berg hout in het water drijven.
Ik schrok me te pletter, dit leek echt niet op een ouderwetse variant van de door E.G. van de Stadt ontworpen plassenzeiler.
Uit 1902 kwam het brok antiek, bestaande uit tonnen eikenhout.
Ik zag dat dit schip in Huizen was gebouwd en nu begrijp ik gelijk waarom er geen eikenbossen meer in de buurt van mijn woonplaats aanwezig zijn.
Er lag hier echt een paar ton hout te drijven waarvoor ter compensatie wel 15 polders in Zeeland onder water moeten worden gezet.
In het midden stond een dikke boomstam die niet met ijzeren touwtjes omhoog werd gehouden.
Als dat maar houdt!
Er was ook een walschipper aan boord om de boot klaar te maken.
Ik begreep dat een walschipper alles mag doen om de boot drijvende te houden, maar niet zelf mee kan varen.
Na een innig afscheid van de lokale zeemannen en zij die achterbleven (een vrouwspersoon flikkerde nog snel een pan rijst aan boord), gingen we het zeegat uit. Nou ja, eerst moesten wat touwtjes losgegooid worden.
Toen de schipper “spring” riep, begon ik ritmisch op het voordek te springen. Je weet maar nooit met die culturele rituelen buiten de randstad.
Hij bedoelde echter een schuin gespannen touwtje!
Ik had mijn slaapzak in een soort schuurtje onder het dek gelegd.
Hier moesten we slapen.
Dat de mensen vroeger beduidend kleiner waren, had ik al gelijk door. Ik stootte gelijk een paar keer mijn kop aan in de weg hangende balken. Waarom hadden ze daar niet netjes gipsplaten opgespijkerd? Ik zag een zaag liggen en wilde de tanden in het oude hout zetten om meer hoofdruimte te maken. Een van de medezeilers, genaamd Rob begon gelijk aan die zaag te rukken en vroeg of ik gek was. Omdat ik had gehoord dat hij, voor zover ik begreep, bij een bekende lokale ondernemer als hoofdaftuiger had gewerkt, nam ik maar geen risico.
Ik heb de balkjes laten zitten.
Hij zag er niet echt sterk uit, maar is niet voor niets aftuiger geweest en ik heb in het verleden geleerd dat menig klein pezig mannetje bepaalde oosterse vechtkunsten beheerst.
Mijn angst werd later bevestigd want zijn maatje Jan stond in de ochtendzon allemaal gekke bewegingen te maken. Een soort slow-motion Kung Fu.
Via een brede sloot kwamen we op een soort Loosdrechtse 1e plas terecht.
Het Keteldiep!
“De zeilen moeten op” werd geroepen door Jan, die met een boomtak de richting bepaalde.
Ik zocht in het schuurtje naar die mooie witte stukken textiel. Het bleken vieze ouwe bruine tapijten te zijn.
Ik ben de naam vergeten, maar met, volgens mij, een smeerreep werden die bruine dikke platen katoen omhooggetrokken.
De touwtjes waarmee ze weer naar beneden moesten kon ik makkelijker onthouden. Die kilo's weefsel vallen vanzelf naar beneden. 'Val' dus!
Ze waren zo zwaar dat we met de voltallige bemanning aan de touwen moesten hangen.
Toen het hoofdzeil eindelijk hoog zat, moest ie weer met een ander touwtje naar beneden worden getrokken.
Zo blijf je bezig!
Op het Keteldiep moesten we de hele tijd heen en weer zeilen.
De schipper wist duidelijk de weg niet, want je kon zo in de wind zeilend naar de brug.
Jan gebruikte zijn walkie-talkie en riep de brugwachter op, die zo lui was dat hij de brug maar niet wilde openzetten. Gelukkig werd op een gegeven moment de A6 tot file gedwongen en konden wij de Zuiderzee op naar Urk.
We kwamen daar met een in het water wegsissende zon aan.
Gelukkig was het gewoon doordeweeks, want ik had gehoord dat wanneer je op de rustdag naar binnen vaart men, in staat is om een heel jaar haringquotum op je dek te mieteren.
In de haven gingen we achterin liggen, omdat dit voor de zielige zeilers is die geen ligplaats kunnen betalen en geen nieuwe boot kunnen kopen, maar met ouwe bakkies moeten rondzeilen.
Die avond stortten wij ons uitgehongerd op de pan met rijst.
Leendert uit Spaarndam had een lokaal bittertje meegenomen.
Half aangeschoten schoof ik in mijn slaapzak in het schuurtje voor in de boot.
Ik kon via de spleten in de zijkant van de boot genieten van een prachtige sterrenhemel.
Toen ik mijn zicht op de sterrenhemel kenbaar maakte, sprongen de andere bemanningsleden op uit hun rustplaats om met wapperende onderbroeken aan de kont teertape en andere waterdichtmakende attributen in de spleten te drukken.
Zij mompelden dat er anders tonnen zout water in het schuurtje zouden komen.
Ik kon daarna geen ster meer zien en ben maar gaan slapen.
De volgende ochtend werd ik wakker.
Martin lag tegenover mij.
Ik dacht eerst dat het onweerde, maar hij had duidelijk erg veel rijst gegeten.
Na een kwartier waren wij eruit. Wij konden na de zeiltocht zijn slaapzak als verboden chemisch oorlogstuig vast wel verkopen aan een obscuur Talibanland.
Het ontbijt was ook nieuw voor mij.
Rob (die in het schuurtje in een soort kast sliep) gaf mij een broodje en zei dat de vleeswaren onder de mastvoet lagen. Ik keek hem bedenkelijk aan, maar hij zei dat er spek onder de mast lag.
Dit is een oude vissermanstraditie, om het piepen en knarsen van de mast tegen te gaan.
Ik zoeken en inderdaad onder de mast zag ik een stukje cellofaan uitsteken.
Na hard trekken kreeg ik het in handen.
Het was een pakje katenspek van de grootgrutter uit Zaandam. Wel ver over datum, maar ach hongerige magen maken een hoop goed.
Nadat we naar buiten waren gevaren en de zeilen hadden gebreeuwd en de neerhouder op en neer was gehaald, werd er geroepen of ik wist waar Dirk was.
Ik wist niet dat die ook aan boord was, maar het bleek een stukkie touw te zijn!
Al snel gingen we met een achterbaks stagwindje over het zoute IJsselmeerwater richting noorden, naar Den Oever.
Onderweg een mooi gangetje en het viel mij echt mee dat zo'n klomp hout van ver voor de oorlog nog zo'n gangetje kon maken.
In Den Oever gingen we een sluis binnen.
Het was ietsje groter dan de Mijndensesluis, die de Vecht verbindt met de Breukeleveense plas. Zoals ik altijd doe, maakte ik een mooie lasso van het touw aan de voorkant. Als een echte rodeocowboy wierp ik de lus om een ijzeren te ver ingegraven amsterdammertje in de sluiswand.
Ik trok hem lekker strak vast en knoopte het andere seind stevig met 10 achtknopen aan de boot.
De sluisdeuren gingen dicht en opeens begon de hele bemanning te gillen dat ik mijn net vastgeknoopte touwtje los moest maken, omdat het vallend water was.
Ik zag het niet regenen ,dus begreep er echt niets van en ben maar in het hutje gaan zitten, buiten zicht van de boze blikken.
Rob kwam naar mij toe en vertelde dat hij mij wel zou helpen om wat wegwijs te worden aan boord.
Rob heeft helemaal alleen hele grote tochten gemaakt, vertelde hij.
In een bootje van een halve ton aan euro's is hij zelfs in Egypte geweest, op de Farao-eilanden.
Ik vroeg of dit niet erg eenzaam was, maar Rob vertelde dat hij zijn boot van binnen gezellig heeft gemaakt.
Volgens mij had hij gewoon bloemetjes behang gebruikt.
Lijkt mij, gezelschapdier die ik ben, helemaal niets zo leuk, alleen op de zee.
Op een gegeven moment ga je jezelf toch moppen vertellen die je nog nooit hebt gehoord!
Door de sluis meerden wij af in een haventje, waar ook 3 grote binnenvaartrijnaakboten met zeilen afmeerden.
Op die boten allemaal Duitse pubers die gelijk werden onthaald door naar overmatig deodorant stinkende lokale jongens in de puistenkopleeftijd.
Martin heeft zijn roots in de Den Oever liggen.
Al was het een halve eeuw geleden, hij klampte iedere autochtoon aan met een uitdraai van het CBG (Centraal bureau voor Genealogie) en vroeg aan die mensen “Kent u mij niet? Ik ben Martin! Ik kom uit Den Oever.”
De lokalen schrokken zich helemaal dood en fietsten en renden gelijk weg. Behalve een paar inteeltfiguren in een lokale snackbar. Na een paar illegale biertjes wisten zij zich Martin wel te herinneren en kwamen allemaal verhalen over Aartje van Jan van Wimmus van Cor van tante Pien over tafel en de patat sateetjes.
Martin kruiste wat namen van zijn lijstje door en zei dat hij het halve dorp kende.
Dit lijkt ons niet zo vreemd want Martin kent echt iedereen op het Noordelijk halfrond.
Op de wal raakten wij hem, tijdens het passagieren, constant kwijt.
Hij kwam steeds weer bekenden tegen waarmee hij in gesprek ging.
De volgende dag, vrijdag, gingen we met de botter richting Den Helder wadlopen.
We moesten tussen allemaal van die stalen katholieke dingen (kardinalen) varen en de mosselbanken links aan stuurboord laten liggen.
We zagen de eerste Lenie van 't Harthondjes en gingen met de 220 volt in de kont richting de Marine.

Toen we aankwamen zagen we een Marva, naakt met struisvogelveren, op de dijk staan dansen om ons zeebonken, na zo'n lange tocht, welkom te heten.
Dit bleek echter een fata morgana!
Het was de havenmeester Frans (ook weer familie van Martin).
Hij wees ons een plek waar we die touwtjes van de botter moesten vastknopen.
Ik had geleerd van de sluis, dus maakte dat touwtje wel vast aan de wal maar hield het einde beet. Kreeg gelijk de vraag of ik zo de hele nacht wilde staan, want we lagen in een haven zonder getij. Na goed vastknopen kregen wij lekker wat notenwijn van Jan.
Had zijn vrouw gemaakt van spiritus en chocoladepinda's, best lekker en na een paar glaasjes moesten we maar onder zeil.
Ik riep dat ik een slaapzak had en echt niet onder die stinkende bruine klampies ging liggen.
Was ook goed, bleek later. Ik leerde dat ik echt niet alles aan boord letterlijk moest nemen.
Jan en Leendert sliepen buiten.
Er was een tentje over de dwarsstam, volgens mij de kluivert, gedropt en de heren speelden daaronder als echte mariniers bivak.
Samen met de anderen sliep ik lekker in dat hokkie voorin. Rob sliep in een soort bedstee.
In de loop van de avond waren nog meer van die ouwe boten binnengekomen. Onder andere die van Almere (hoe kan Almere nu een botter hebben? Die plaats lag niet aan, maar onder de Zuiderzee). Ik vond die boot wel mooi, maar volgens anderen hadden ze iemand aan boord die in de loef bijtte en dat was niet eerlijk.
Ook hadden ze het bakkie in de boot, waar vroeger na vangst de kibbeling in werd gepleurd, helemaal dichtgemaakt.
Ik hoorde die Leendert en Hans zeggen dat zij dat wel slim vonden, maar dan wel met watervast buigtriplex met kunststof honingraat voor een lager gewicht.
Jan en Rob begonnen te zuchten en hadden het over ware schisma's in de bottervloot.
Het ging duidelijk tussen de richtigen en de rekkelijken.
Er waren ook nog een paar aakjes bij en de haven lag lekker vol met allemaal historische bootjes.
Deze brokkies historie zullen bij het programma Kunst en Kitch zeker de voltallige cameraploeg naar zich toe trekken, gelijk een nieuw ontdekte Rembrandt.
Martin kende echt alle bemanningen van de andere bootjes.
Bleek dat er verschillende neefjes en achterooms, al dan niet van de koude kant, op aakjes en bottertjes zaten (de zoon van Louwtje, de moeder van Tinus, de broer van Aagje, de oom van de man die de slagbomen open deed bij de sluis van Wieringen, of zoiets).
De volgende dag gingen we met zijn allen eten en daarna begon een man te vertellen welke rondjes we moesten zeilen.
Dit werd papaveren of zoiets genoemd.
Daarna ging de hele vloot het Wad op.
Om een uur of 1 moesten we tegen de stroom in over een denkbeeldige lijn tussen twee van die drijvende stukken ijzer door.
Vanaf de kant begon een idioot met een oud VOC kanon op ons te schieten.
Leendert en Hans zeiden dat er beter getrimd moest worden.
Vol verbijstering keek ik in het rond. Ik wist niet dat er ook een scheepshond aan boord was.
Bleek later dat dit te maken heeft met hoe die bruine doeken op de botter staan.
Trouwens we hadden zo'n 10 gasten aan boord met allemaal rabobankjasjes en petjes.
Die moesten van de organisatie meevaren.
Leendert en Hans waren daar niet blij mee, omdat dit het gewicht van de botter met 0,00001% zou verhogen, waardoor onze kansen met de wedstrijd zouden afnemen.
Om die gasten toch de kant op te krijgen, begon Martin te vertellen dat we bij het van de ene naar de andere kant opzeilen die grote tak over ons heen zouden krijgen en dat in het verleden al veel mensen daardoor waren onthoofd.
Hij had ketchup in zijn haar gedaan en zei dat hij vanochtend net geluk had gehad.
Die Boerenleenbankers keken steeds angstiger.
Ik kwam toen helemaal los en gebruikte al mijn zeiltermen, die ik in de loop van de week had geleerd, om indruk te maken.
“Hieuw de loopplank tot loef, trek de lensdeuren omhoog, open de biertjes naar lij, niet plassen in de bun, kijk daar in de blakte gaan we overstag, we gaan zo in de wind gijperen om de andere botter in zijn loef te bijten, trek de landvast wat strakker door zodat de fok over een kop koffie staat waardoor ie makkelijker overstag gaat, lens de pomp, we hebben voorrang want we komen van rechts, dat marinefregat is een motorboot en die hebbu geen voorrang want wij hebben zeilen op en wegen net zo veel ton, trek de stootwillen wat aan, niet meer eten we moeten afvallen, we gaan zo met een afvalbakwindje naar de finish, het stroomt hier helemaal niet dat is de wind, als we met de looping klaar zijn gaan we 440 graden naar de neer onder de vuurtoren waardoor we na achter elkaar 5 rakken halve wind zeker voor gaan liggen.”
Die gelduitleners keken mij vol ontzag aan!
Rob had zijn zuidwester op en de zijkleppen in zijn oren gestopt.
Volgens hem waren we de status van Vollehove als zeegaande natie naar beneden aan het halen. Maar die bankiertjes geloofden echt alles!
Behalve dat we met beleggen bedoelden dat je zo'n touwtje in de knoop aan een stukkie hout vastmaakt.
Ze begonnen gelijk over rendement en optie en poets te praten.
We hadden best geluk, want die geldbeheerders hadden allemaal parapluutjes bij zich.
In het laatste stukkie waarbij de wind van achteren kwam, dus wij lekker aan de wind op de finish afzeilden, riep Leendert dat al die regentegenhouders open moesten om meer zeiloppervlak te krijgen. Hans riep iets over planeren en met een noodgang stuiterden wij richting finish.
Aan het eind werden we nog aangevallen door een voormalige piratenboot van Alfa met de Spaanse naam “Tres Hombres”.
Volgens ons was ie nog overgebleven van de Gayparade tijdens de 80 jarige oorlog.
Aan de kant werd gezegd dat we naar een grote Marinehal moesten voor eten en dat wij daarna uitslag zouden krijgen.
Bleek dat we met dat zooitje ongeregeld toch de VN66 op een verdienstelijke 3e plaats hadden weten te zeilen.
Met tranen in de ogen hebben wij van elkaar afscheid genomen.
Zo'n zilt avontuur brengt je toch dichter bij elkaar.
De volgende ochtend kwam de nieuwe bemanning en die zou deze mooie antieke lekkende botter met windkracht 8, onweer, hagel en windstoten verder over het Wad laten sleuren.
Het was een mooi avontuur en we hebben besloten, na aandringen van Hans en Leendert, dat de VN 66, nadat deze is ontdaan van alle ballast, met een nieuwe Europese subsidie, als troefkaart ingezet zal gaan worden bij de volgende Volvo Ocean race.
Dit ter meerdere glorie van het stadje Vollehove, haar bewoners en al die vrijwilligers die toch maar zo'n mooi stukkie Hollandse zeilvaart op het water weten te houden.

Heel erg bedankt

PS: Wij verwachten wel dat wij binnenkort als voltallige bemanning op een platte boerenwagen vanuit de haven worden opgehaald, om ons door een grote groep aubadehoudende kinderen naar het stadhuis te begeven en daar uit naam van onze vorstin door d
e burgemeester een lintje opgespeld te krijgen.